Home > Over de orde > Wetgeving m.b.t. de Orde > Juridische teksten

  •   

    WETGEVING M.B.T. DE ORDE



  • Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van Architecten

    (B.S., 5 juli 1963)

    Officiële Duitse vertaling: K.B. 23 september 1998 (B.S., 29 januari 1999).

    Kamer van volksvertegenwoordigers
    Zitting 1962/1963, document 487.

    Senaat

    Zitting 1961/1962, document 299.
    Zitting 1962/1963, document 212.


    Hoofdstuk I Benaming, opdracht en samenstelling van de Orde


    Art. 1


    Er wordt een Orde van architecten ingesteld. Zij bezit rechtspersoonlijkheid.


    Art. 2


    De Orde van architecten heeft tot taak de voorschriften van de plichtenleer voor het beroep van architect te bepalen en ze te doen naleven. Zij houdt toezicht op de eer, de discretie en de waardigheid van de leden van de Orde in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van hun beroep. Zij doet aangifte bij de rechterlijke overheid van elke inbreuk op de wetten en reglementen tot bescherming van de titel en van het beroep van architect.


    Art. 3


    De Orde van architecten omvat al de personen die op één van de tabellen van de Orde of op een lijst van stagiairs zijn ingeschreven.


    Art. 4


    Niemand mag op een tabel van de Orde of op een lijst van stagiairs worden ingeschreven als hij niet voldoet aan de voorwaarden gesteld bij de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect.


    Art. 5


    Niemand mag in België het beroep van architect in welke hoedanigheid ook uitoefenen als hij niet op één van de tabellen van de Orde of op een lijst van stagiairs is ingeschreven 1[ of indien hij niet heeft voldaan aan de bepalingen van het 2[eerste of tweede lid van § 2]2 van artikel 8.]1

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 1 K.B. 12 september 1990 (B.S., 19 oktober 1990) en bij art. 5 Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).


    Hoofdstuk II De organen van de Orde


    Art. 6


    De organen van de Orde zijn:
    1•
    De raden van de Orde;
    2•
    De raden van beroep;
    3•
    De nationale raad van de Orde.

    Afdeling I De raden van de Orde

    A Samenstelling


    Art. 7


    In iedere provincie is er een raad van de Orde met rechtsmacht over de leden van de Orde, die in deze provincie de 1[hoofdzetel van hun activiteit indien het gaat om een natuurlijke persoon of hun maatschappelijke zetel als het gaat om een rechtspersoon]1 gevestigd hebben. Voor de stagiairs wordt als zodanig beschouwd, de zetel van het lid van de Orde bij wie zij hun stage doormaken.
    In de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen is de door de raden van de Orde gebruikte taal het Nederlands.
    In de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg en Namen is de door de raden van de Orde gebruikte taal het Frans.
    Er zijn evenwel twee raden van de Orde voor de provincie Brabant: de ene maakt gebruik van het Nederlands, de andere van het Frans.
    De eerste heeft rechtsmacht over de leden die de 1[hoofdzetel van hun activiteit indien het gaat om een natuurlijke persoon of hun maatschappelijke zetel als het gaat om een rechtspersoon]1 gevestigd hebben in de gemeenten behorende tot het Nederlands taalgebied. De tweede heeft rechtsmacht over de leden die de 1[hoofdzetel van hun activiteit indien het gaat om een natuurlijke persoon of hun maatschappelijke zetel als het gaat om een rechtspersoon]1 gevestigd hebben in de gemeenten behorende tot het Frans taalgebied.
    De leden die de 1[hoofdzetel van hun activiteit indien het gaat om een natuurlijke persoon of hun maatschappelijke zetel als het gaat om een rechtspersoon]1 gevestigd hebben in de gemeenten van de Brusselse agglomeratie ressorteren naar keuze onder een van deze twee raden.
    In afwijking van de regels inzake de territoriale bevoegdheid van de raden van de Orde, zoals deze in dit artikel zijn bepaald, kan elk lid dat geen voldoende kennis heeft van de door de raad van de Orde, waaronder hij normaal ressorteert, bij de rechtspleging gebruikte taal, bij de aanvang van het tegen hem ingestelde onderzoek vragen dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet. Over deze aanvraag wordt beslist bij een met redenen omklede beslissing, vatbaar voor hoger beroep, ingesteld door het betrokken lid.
    Zo daartoe aanleiding bestaat, wordt betrokkene bij de beslissing verwezen naar de meest nabije raad van de Orde die gebruik maakt van de andere taal.

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 8 W. 15 februari 2006 (B.S., 25 april 2006 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2007 (art. 8 K.B. 25 april 2007 (B.S., 23 mei 2007)).


    Art. 8


    51]5 1[Wanneer zij wensen het beroep uit te oefenen en, hetzij blijvend, hetzij tijdelijk, de zetel van hun activiteit in België te vestigen, zijn de Belgen en de onderdanen van andere Lid-Staten 2[van de Europese Economische Gemeenschap of een andere Staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte]2, alsmede de andere vreemdelingen die gemachtigd zijn tot het uitoefenen van het beroep van architect in België krachtens artikel 8 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, verplicht vooraf hun inschrijving op de tabel van de Orde of op de lijst van de stagiairs bij de bevoegde raad van de Orde aan te vragen overeenkomstig de in artikel 7 bepaalde voorschriften. 4[Die verplichting geldt eveneens voor de rechtspersonen bedoeld in artikel 2, § 2, van de wet van 20 februari 1939.]4


    2]5
    De vreemdelingen niet-onderdanen van de Lid-Staten 2[van de Europese Economische Gemeenschap of een andere Staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte]2, die het beroep van architect in het buitenland uitoefenen en hun beroep bij gelegenheid in België wensen uit te oefenen, zijn verplicht zich daartoe vooraf te doen machtigen door de raad van de Orde van het gebied waarin zij voornemens zijn hun activiteit uit te oefenen.
    5[In geval, in het kader van het vrij verrichten van diensten de onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, alsook IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland vanaf het ogenblik dat de Richtlijn 2005/36/EG op deze landen van toepassing is, zich voor het eerst naar België begeven om er tijdelijk en incidenteel het beroep van architect uit te oefenen, stellen deze vooraf door middel van een schriftelijke verklaring, met daarin de gegevens betreffende verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid, de Orde van Architecten hiervan in kennis. Zij worden door de Orde van Architecten ingeschreven in het register van de dienstverrichting.]56[De verklaring wordt eenmaal per jaar verlengd indien de dienstverrichter voornemens is om gedurende dat jaar in België tijdelijke of incidentele diensten te verrichten. De dienstverrichter mag de verklaring met alle middelen aanleveren.]6
    Bij deze verklaring dienen te worden gevoegd:
    1•
    een attest waaruit blijkt dat de betrokkene de desbetreffende werkzaamheden wettig uitoefent in de Lid-Staat waar hij gevestigd is;
    2•
    een attest waaruit blijkt dat de betrokkene één van de diploma's, certificaten of andere titels bezit, opgenomen in de bijlage van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect;
    3•
    5[in het geval noch het beroep noch de opleiding die toegang verleent tot het beroep gereglementeerd is in de lidstaat van vestiging, een attest waaruit blijkt dat de dienstverrichter het beroep van architect in de tien jaren die voorafgaan aan de dienstverrichting gedurende ten minste twee jaar heeft uitgeoefend;]5
    4•
    een attest van verzekering inzake beroepsaansprakelijkheid, met inbegrip van de tienjarige aansprakelijkheid. Dit attest kan afgegeven worden door een verzekeringsmaatschappij van een andere Lid-Staat, indien het vermeldt dat de verzekeraar zich naar de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften in voege in België heeft gericht wat de aard en de omvang van de dekking betreft;
    5•
    5[een bewijs van de nationaliteit van de dienstverrichter.]5
    Bij overlegging mag het attest van verzekering hoogstens drie, en mogen de overige documenten hoogstens twaalf maanden oud zijn.
    De voorschriften van de plichtenleer, goedgekeurd door de Koning in uitvoering van artikel 39 van deze wet zijn eveneens van toepassing op de personen bedoeld in 5[het eerste en het tweede lid]5.]1

    Wetshistoriek

    Art. vervangen bij art. 2 K.B. 12 september 1990 (B.S., 19 oktober 1990).
    § 1 gewijzigd bij art. 55 W. 10 februari 1998 (B.S., 21 februari 1998), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000)), bij art. 9 W. 15 februari 2006 (B.S., 25 april 2006 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2007 (art. 8 K.B. 25 april 2007 (B.S., 23 mei 2007)) en genummerd bij art. 6, 1• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).
    § 2 genummerd bij art. 6, 2• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).
    § 2, lid 1 gewijzigd bij art. 55 W. 10 februari 1998 (B.S., 21 februari 1998), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000)).
    § 2, lid 2 vervangen bij art. 6, 3• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)) en gewijzigd bij art. 79 Wet 30 december 2009 (BS 31 december 2009 (derde uitg.)).
    § 2, lid 3:

    3• vervangen bij art. 6, 4• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2));

    5• ingevoegd bij art. 6, 5• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).
    § 2, lid 5 gewijzigd bij art. 6, 6• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).

    Voorgeschiedenis

    Gewijzigd bij art. 1 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9).


    Art. 9


    Elke raad is samengesteld uit gewone leden en plaatsvervangende leden, verkozen door de op de tabel ingeschreven personen. 1[Alleen de leden die natuurlijke personen zijn kunnen worden verkozen als leden van de raad en kunnen aan de verkiezing van de leden van de raad deelnemen.]1
    De Koning bepaalt hun aantal en stelt de wijze van verkiezing vast.
    De Koning kan maatregelen voorschrijven opdat, zo mogelijk, één of meer leden van de raden van de Orde gekozen worden onder de leden van de Orde die houder zijn van een universitair diploma van burgerlijk ingenieur of die hun beroep uitoefenen in dienst van de Staat, van een provincie, van een gemeente of van een openbare instelling.
    De kandidaten die de bij artikel 11 gestelde voorwaarden vervullen, worden gerangschikt in dalende volgorde van de behaalde stemmen.
    Wanneer verschillende kandidaten eenzelfde aantal stemmen hebben behaald, wordt de voorkeur gegeven aan het lid dat het langst op de tabel van de Orde ingeschreven is. Bij gelijke anciënniteit gaat de voorkeur naar het oudste in leeftijd.
    Ten belope van het aantal te begeven mandaten worden de kandidaten die het hoogste aantal stemmen hebben behaald, tot gewoon lid verkozen.
    De anderen zijn tot plaatsvervangend lid verkozen.
    Bij overlijden, vervallenverklaring of ontslag van een gewoon lid, wordt deze vervangen door de eerste plaatsvervanger.
    Wanneer er geen plaatsvervangers meer zijn, wordt door middel van een gedeeltelijke verkiezing in de vervanging voorzien. Het plaatsvervangend lid of het bij de gedeeltelijke verkiezing verkozen lid voleindigt het mandaat van zijn voorganger.

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 10 W. 15 februari 2006 (B.S., 25 april 2006 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2007 (art. 8 K.B. 25 april 2007 (B.S., 23 mei 2007)).


    Art. 10


    De verkiezing van de leden van de raad van de Orde geschiedt bij geheime stemming.
    De stemming is verplicht. Zonder wettige reden aan de stemming niet deelnemen is strafbaar met waarschuwing, afkeuring of berisping.


    Art. 11


    De gewone en plaatsvervangende leden van de raad van de Orde worden voor een termijn van 3[zes]3 jaar gekozen onder de leden van de Orde die 1[onderdaan zijn van een Lid-Staat 2[van de Europese Economische Gemeenschap of een andere Staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte]2]1, 4[ten minste dertig en ten hoogste vijfenzestig jaar zijn]4, ten minste sedert één jaar ingeschreven zijn op de tabel van de raad van de Orde waarvoor zij kandidaat zijn, en ten minste sedert vijf jaar op een van de tabellen van de Orde, en onder voorbehoud van de beschikkingen voorzien bij artikel 42, § 3, geen tuchtstraf hebben opgelopen.
    3[...]
    De raad wordt om de 3[drie]3 jaar voor de helft vernieuwd.
    De leden mogen achtereenvolgens niet meer dan twee mandaten uitoefenen.

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 3 K.B. 12 september 1990 (B.S., 19 oktober 1990), bij art. 55 W. 10 februari 1998 (B.S., 21 februari 1998), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000)), bij art. 22 W. 1 maart 2007 (B.S., 14 maart 2007) en bij art. 7 Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).

    Verwerping van beroep

    Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van art. 22 W. 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) (Grondwettelijk Hof nr. 125/2008, 1 september 2008 (B.S., 19 september 2008 (tweede uitg.))).


    Art. 12


    Elke raad van de Orde wordt bijgestaan door een rechtskundig bijzitter en 1[meerdere plaatsvervangend rechtskundig bijzitters]1 die door de Koning worden benoemd.

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 23 W. 1 maart 2007 (B.S., 14 maart 2007).


    Art. 13


    De rechtskundige bijzitter heeft raadgevende stem. Hij wordt gekozen voor een termijn van 1[zes jaar onder de magistraten, titularis of honorair]1 of de advocaten die sedert ten minste tien jaar op een tabel van de Orde van advocaten zijn ingeschreven.
    1[De Koning benoemt onder dezelfde voorwaarden de plaatsvervangend rechtskundig bijzitters en bepaalt de volgorde waarin ze de rechtskundig bijzitter vervangen.]1

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 24 W. 1 maart 2007 (B.S., 14 maart 2007).


    Art. 14


    De raad van de Orde kiest onder zijn leden een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris, die samen met een rechtskundig bijzitter het bureau vormen. Ieder lid van de nationale raad van de Orde heeft het recht om met raadgevende stem de vergaderingen bij te wonen van het bureau van de raad van de Orde, die hem bij toepassing van artikel 34 heeft gekozen.
    1[Bij afwezigheid of verhindering van een lid van het bureau wordt dat bureau aangevuld met een plaatsvervanger, die bij de verkiezing van de gewone en plaatsvervangende leden van de raad van de Orde is verkozen.]1

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij enig art. W. 24 april 1989 (B.S., 20 mei 1989).


    Art. 15


    De raad van de Orde vergadert op bijeenroeping door de voorzitter, door de rechtskundig bijzitter, of op verzoek van twee derden van zijn leden. De bijeenroeping moet, behoudens in dringende gevallen, ten minste drie vrije dagen vóór de vergadering worden toegezonden, met vermelding van de voorgestelde agenda.


    Art. 16


    De raad van de Orde kan slechts geldig beraadslagen indien de voorzitter of de ondervoorzitter en twee derden van de leden aanwezig zijn en indien hij bijgestaan wordt door de in artikel 12 bedoelde rechtskundige bijzitter of 1[één van de plaatsvervangend rechtskundig bijzitters]1. Ten einde het voor deze beslissingen vereiste quorum te bereiken kan de raad van de Orde plaatsvervangers verzoeken tijdelijk zitting te nemen en hen oproepen in de volgorde van het aantal bij de verkiezingen behaalde stemmen.

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 25 W. 1 maart 2007 (B.S., 14 maart 2007).


    B Bevoegdheden


    Art. 17


    2[§ 1
    Elke raad van de Orde houdt een tabel en een lijst van stagiairs bij, waarop de leden van de Orde worden ingeschreven die de hoofdzetel van hun activiteit in zijn gebied gevestigd hebben. De aanvragen tot inschrijving op de tabel en op de lijst van de stagiairs worden aan de bevoegde raad verzonden. 5[Hij bevestigt de ontvangst ervan binnen een termijn van 10 dagen.]5 De raad doet binnen dertig dagen uitspraak over de aanvragen tot inschrijving bedoeld in artikel 8, 41]4, en over de aanvragen tot machtiging bedoeld in artikel 8, 4[§ 2, eerste lid]4. 5[In voorkomend geval deelt de Raad binnen deze termijn aan de aanvrager mee welke documenten ontbreken.]53[In de gevallen als bedoeld in artikel 1, § 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect bedraagt de termijn drie maand vanaf de indiening van een volledig dossier.]3
    Is de raad van oordeel een afwijzende beslissing te moeten nemen, dan brengt hij de belanghebbende hiervan op de hoogte bij aangetekende brief. Een definitieve beslissing kan slechts genomen worden met tweederde meerderheid en voorzover de belanghebbende de in artikel 24 bepaalde waarborgen heeft genoten.

    § 2
    Elke raad van de Orde is, wat de vestiging en de machtiging betreft, bedoeld in artikel 8, 4[§ 1 en § 2, eerste lid]4, bevoegd om, overeenkomstig de regelen bepaald in artikel 8, diploma's, certificaten en andere titels, alsook de documenten of inlichtingen bedoeld in de 4[Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties]4, te ontvangen.
    Elke raad van de Orde is, wat de vestiging en de machtiging betreft, bedoeld in artikel 8, 4[§ 1 en § 2, eerste lid]4, ook bevoegd om de in dezelfde richtlijn bedoelde documenten en inlichtingen te verstrekken. De afgifte van diploma's, certificaten en andere titels met betrekking tot de vorming, van attesten van goed gedrag of betrouwbaarheid die geen verband houden met de beroepswerkzaamheid van architect en van de verklaringen dat geen faillissement heeft plaatsgehad, behoort echter tot de bevoegdheid van respectievelijk de voor het onderwijs bevoegde overheden, de gemeentebesturen, en de griffies van de rechtbanken van koophandel.]2

    Wetshistoriek

    Art. vervangen bij art. 2 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9).
    § 1 gewijzigd bij art. 2 K.B. 8 oktober 2003 (B.S., 27 oktober 2003), bij art. 8, 1• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)) en bij art. 80, 1• en 2• Wet 30 december 2009 (BS 31 december 2009 (derde uitg.)).
    § 2 gewijzigd bij art. 8, 2• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).

    Voorgeschiedenis

    Vervangen bij art. 4 K.B. 12 september 1990 (B.S., 19 oktober 1990).


    Art. 18


    De raad van de Orde stelt op gezamenlijk verzoek van partijen het bedrag van de erelonen vast.
    Hij geeft zijn advies over de wijze van vaststelling en over het bedrag van de erelonen:
    a.
    Op verzoek van de hoven en rechtbanken;
    b.
    Ambtshalve, bij ernstige tekortkoming aan de beroepsplicht;
    c.
    In geval van betwisting tussen personen die aan de rechtsmacht van de Orde zijn onderworpen.


    Art. 19


    De raad van de Orde zorgt voor de naleving van de voorschriften van de plichtenleer. Hij houdt toezicht op de eer, de discretie en de waardigheid van de leden van de Orde in de uitoefening en naar aanleiding van de uitoefening van het beroep. Hij klaagt bij de rechterlijke overheid elke inbreuk aan op de wetten en reglementen tot bescherming van de titel en van het beroep van architect.


    Art. 20


    2[De raad van de Orde doet uitspraak in tuchtzaken ten opzichte van al de leden die op de tabel van de Orde of op de lijst van de stagiairs zijn ingeschreven, en ten opzichte van de personen die voldoen aan de bepalingen van 3[§ 2, eerste en tweede lid]3 van artikel 8. In geval van dienstverrichting, bedoeld in artikel 8, 3[§ 2, tweede lid]3, is de raad van de Orde bevoegd van het rechtsgebied waar het project wordt verwezenlijkt.]2

    Wetshistoriek

    Vervangen bij art. 3 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9) en gewijzigd bij art. 9 Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).

    Voorgeschiedenis

    Vervangen bij art. 5 K.B. 12 september 1990 (B.S., 19 oktober 1990).


    Art. 21


    § 1
    De leden van de Orde, van wie bewezen is dat zij aan hun plichten zijn tekortgekomen, zijn strafbaar met de volgende tuchstraffen:
    a)
    waarschuwing;
    b)
    afkeuring;
    c)
    berisping;
    d)
    schorsing;
    e)
    schrapping.
    Schorsing en schrapping kunnen slechts worden uitgesproken met twee derde meerderheid van de stemmen van de aanwezige leden van de raad van de Orde of van de raad van beroep.
    De schorsing bestaat in het verbod het beroep van architect gedurende een vastgestelde termijn in België uit te oefenen, deze termijn mag niet langer dan twee jaar duren.
    Schorsing brengt verlies met zich van het recht om aan de verkiezingen van de raad deel te nemen gedurende de tijd dat die tuchtstraf wordt ondergaan. Schrapping brengt het verbod met zich om het beroep van architect in België uit te oefenen.


    § 2
    De personen die, bij toepassing van 3[artikel 8, 4[§ 2, eerste lid]4]3, gemachtigd zijn tot het uitoefenen van het beroep van architect en die schuldig bevonden zijn aan plichtsverzuim, zijn strafbaar met de volgende tuchtstraffen:
    a)
    waarschuwing;
    b)
    afkeuring;
    c)
    berisping;
    d)
    intrekking van de machtiging.
    Laatstgenoemde straf kan slechts worden toegepast met twee derde meerderheid van de stemmen van de aanwezige leden van de raad van de Orde of van de raad van beroep.

    1[§ 3
    De personen die het beroep van architect uitoefenen en voldoen aan de bepalingen van het 4[tweede lid van § 2]4 van artikel 8 en van wie bewezen is dat zij hun plichten niet zijn nagekomen, zijn strafbaar met de volgende tuchtstraffen:
    a)
    waarschuwing;
    b)
    afkeuring;
    c)
    berisping;
    d)
    schorsing van de inschrijving in het register;
    e)
    schrapping van de inschrijving in het register.
    Schorsing en schrapping kunnen slechts worden uitgesproken met de tweederdemeerderheid van de stemmen van de aanwezige leden van de raad van de Orde of van de raad van beroep. Schrapping brengt het verbod met zich om het beroep van architect in België uit te oefenen.
    De maatregelen getroffen ten opzichte van de onderdanen van de Lid-Staten 2[van de Europese Economische Gemeenschap of een andere Staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte]2 die diensten verrichten, zullen onverwijld ter kennis worden gebracht van de Lid-Staten waar zij zijn gevestigd.]1

    Wetshistoriek

    § 2 gewijzigd bij art. 4 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9) en bij art. 10, 1• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).
    § 3 ingevoegd bij art. 6 K.B. 12 september 1990 (B.S., 19 oktober 1990), gewijzigd bij art. 55 W. 10 februari 1998 (B.S., 21 februari 1998), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000)) en bij art. 10, 2• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).


    Art. 22


    Er mag geen tuchtstraf worden uitgesproken om redenen die verband houden met het ras of die van godsdienstige, wijsgerige, politieke, taalkundige of syndicale aard zijn. Elke inmenging vanwege de raden van de Orde op één van deze gebieden is verboden.

    C Rechtspleging en beroep

    Art. 23


    Het bureau van de raad onderzoekt de klachten ingediend tegen de personen die onder hem ressorteren en verwijst, zo nodig, het geval naar de raad.


    Art. 24


    § 1
    De raad van de Orde kan geen tuchtstraf uitspreken tenzij de betrokken persoon, bij een ten minste dertig dagen vooraf toegezonden aangetekende brief, is uitgenodigd om te verschijnen op de vergadering van de raad tijdens welke zijn geval zal worden onderzocht. De betrokkene mag zijn verweermiddelen mondeling of schriftelijk doen gelden.

    § 2
    De betrokkene bezit het recht van wraking in de 1[bij artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek]1 bepaalde gevallen.2[...]

    § 3
    De betrokkene mag zich laten bijstaan door één of meer advocaten of door één of meer leden van de Orde die de voorwaarden vervullen om tot lid van de raden van de Orde te worden verkozen.

    Wetshistoriek

    § 2 gewijzigd bij art. 1 W. 28 januari 1977 (B.S., 2 april 1977) en bij art. 26 W. 1 maart 2007 (B.S., 14 maart 2007).


    Art. 25


    De beslissingen worden onmiddellijk, bij aangetekende brief, aan de betrokken partijen en aan de nationale raad betekend. Samen met deze betekening worden alle gepaste inlichtingen verstrekt, betreffende de termijnen van beroep en de wijze waarop beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld. Het ontbreken van deze vermeldingen heeft de nietigheid van de betekening tot gevolg.


    Art. 26


    Degene tegen wie een beslissing bij verstek is gewezen, kan tegen deze beslissing verzet aantekenen binnen de termijn van dertig dagen. Het verzet moet, op straffe van nietigheid, worden betekend bij aangetekende brief, gepost binnen de vermelde termijn en geadresseerd aan de raad die de beslissing heeft genomen.
    De opposant die een tweede maal verstek laat gaan, kan geen nieuw verzet meer aantekenen. De nationale raad 3[...] en de betrokkene mogen binnen de termijn van dertig dagen beroep instellen tegen elke beslissing van de raad die krachtens de artikelen 17 en 20 van deze wet is genomen. 2[Een dergelijk beroep staat ook open voor hij die de erkenning aanvraagt van diploma's, certificaten en andere titels met betrekking tot het onder 4[Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties]4, vallende gebied bij ontstentenis van een beslissing binnen de in 5[artikel 17, § 1, vierde lid]5, bedoelde termijn.]2
    1[3[De betrokkene mag]3 binnen de termijn van dertig dagen beroep instellen tegen elke beslissing van de nationale raad die inzake dienstverrichting op grond van artikel 38bis van de wet is genomen.]1 Ingeval de beslissing bij verstek is gewezen, gaat de termijn van beroep slechts in bij het verstrijken van de termijn van verzet. Beroep wordt ingesteld bij aangetekende brief, gepost binnen de vermelde termijn en geadresseerd aan de raad van beroep die krachtens artikel 27 van deze wet bevoegd is. De termijnen van beroep vangen aan op de dag na de afgifte ter post van de aangetekende brief houdende betekening van de beslissing waartegen beroep is ingesteld, tenzij de betrokkene het bewijs levert dat hij zich in de onmogelijkheid bevond om de betekening te ontvangen. In dat geval gaan de termijnen slechts in op de dag na die waarop het lid van de beslissing in kennis is gesteld.

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 5 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9), bij art. 3 K.B. 8 oktober 2003 (B.S., 27 oktober 2003), bij art. 2 W. 7 juli 2006 (B.S., 18 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 18 augustus 2006 (art. 3), bij art. 11 Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)) en bij art. 81 Wet 30 december 2009 (BS 31 december 2009 (derde uitg.)).


    Afdeling II De raden van beroep

    A Samenstelling


    Art. 27


    Er worden twee raden van beroep ingesteld. Een raad van beroep met het Nederlands als voertaal heeft zijn zetel te Gent: hij neemt kennis van de beslissingen van de raden van de Orde van de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en van de Nederlandstalige raad van de Orde van de provincie Brabant.
    Een raad van beroep met het Frans als voertaal heeft zijn zetel te Luik: hij neemt kennis van de beslissingen van de raden van de Orde van de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en van de Franstalige raad van de Orde van de provincie Brabant. Inzake eerherstel nemen zij kennis van de aanvragen betreffende de beslissingen tot schorsing of schrapping die zij hebben uitgesproken, of die zijn uitgesproken zonder dat beroep is ingesteld door een raad van de Orde, van wiens beslissingen zij krachtens lid 2 en lid 3 kennis nemen. Als de aanvraag tot eerherstel betrekking heeft op verschillende straffen van schorsing, wordt slechts met de laatst uitgesproken straf rekening gehouden om de bevoegdheid te bepalen.


    Art. 28


    De Nederlandstalige raad van beroep en de Franstalige raad van beroep bestaan ieder uit drie raadsheren, titularis of honorair, bij het Hof van beroep, die door de Koning voor een termijn van 1[zes]1 jaar worden aangewezen, die medebeslissende stem hebben en van wie een het ambt van voorzitter waarneemt, alsmede uit drie andere leden, door het lot aangewezen onder de leden van de raden van de Orde die de voor de rechtspleging geldende taal gebruiken en die deel uitmaken van verschillende raden van de Orde.
    Onder dezelfde voorwaarden worden als plaatsvervangende leden aangewezen, drie magistraten en drie leden van de raden van de Orde die in de raad van beroep alleen kunnen zitting hebben in geval van wettig belet of gerechtvaardigde afwezigheid van de gewone leden. Wat de leden betreft die tot raden van de Orde behoren moet het plaatsvervangend lid dat zitting heeft, deel uitmaken van dezelfde raad van de Orde als het te vervangen gewoon lid. De aanwijzing van deze leden geldt voor de gehele duur van hun mandaat in de raden van de Orde.
    Een lid van de raad van de Orde mag in hoger beroep geen kennis nemen van een zaak waarover uitspraak is gedaan door de raad van de Orde waarvan hij deel uitmaakt. Iedere raad van beroep wordt bijgestaan door een griffier en een plaatsvervangend griffier, die door de raad benoemd worden. De Koning bepaalt op welke wijze de leden van de raden van de Orde in de raden van beroep worden aangewezen en vervangen. Hij kan ook in de instelling van verschillende kamers in de raad van beroep voorzien.

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 27 W. 1 maart 2007 (B.S., 14 maart 2007).

    Verwerping van beroep

    Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van art. 27 W. 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) (Grondwettelijk Hof nr. 125/2008, 1 september 2008 (B.S., 19 september 2008 (tweede uitg.))).


    Art. 29


    De raad van beroep kan slechts geldig beraadslagen indien twee derden van zijn leden vergaderd zijn en ten minste twee magistraten en twee leden van de raad, aangewezen overeenkomstig artikel 28, zich onder hen bevinden.


    Art. 30


    De raad van beroep vergadert na bijeenroeping door de voorzitter. De oproeping moet, behoudens in dringende gevallen, ten minste drie vrije dagen vóór de vergadering worden toegezonden, met vermelding van de voorgestelde agenda.

    B Bevoegdheden


    Art. 31


    De raden van beroep doen uitspraak over de beroepen ingesteld tegen de beslissingen, die de raden van de Orde op grond van de artikelen 17, 20 en 61 hebben uitgesproken. 1[De raad van beroep met het Frans als voertaal doet uitspraak over de beroepen die zijn ingediend tegen de beslissingen die de nationale raad heeft uitgesproken in uitvoering van artikel 38bis en die betrekking hebben op de verwezenlijking van een project in de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen of Waals-Brabant. De raad van beroep met het Nederlands als voertaal doet uitspraak over de beroepen die zijn ingediend tegen de beslissingen die de nationale raad heeft uitgesproken in uitvoering van artikel 38bis en die betrekking hebben op de verwezenlijking van een project in de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant of West-Vlaanderen. In geval van beroep ingediend tegen een dergelijke beslissing, betrekking hebbend op een verwezenlijking van een project in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, is de raad van beroep met het Nederlands als voertaal of de raad van beroep met het Frans als voertaal bevoegd naargelang de taal van de akte van beroep.]1
    Zij doen in eerste en laatste aanleg uitspraak ten opzichte van de leden van een raad van de Orde, in de gevallen bedoeld in de artikelen 44 en 45, alsmede over de aanvragen tot eerherstel die op grond van artikel 42, § 2, zijn ingediend.

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 6 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9).


    C Rechtspleging en beroep


    Art. 32


    Voor de rechtspleging voor de raden van beroep worden de artikelen 24, 25, 26, 1e, 2e en 3e lid, toegepast.


    Art. 33


    De door een raad van beroep gewezen eindbeslissingen kunnen door de betrokkene en door de nationale raad van de Orde voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens overtreding van de wet of schending van de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie kan zich voor dit Hof voorzien in het belang van de wet.
    In geval van cassatie wordt de zaak verwezen naar de anders samengestelde raad van beroep. Dit rechtscollege voegt zich naar de uitspraak van het Hof van Cassatie wat de rechtsvragen betreft waarover in het arrest uitspraak is gedaan.
    1[Voor de rechtspleging tot voorziening in cassatie gelden dezelfde regelen als in burgerlijke zaken; de termijn om zich in cassatie te voorzien, bedraagt een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing.]1

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 67, § 3 W. 15 juli 1970 (B.S., 30 juli 1970).


    Afdeling III De nationale raad

    A Samenstelling


    Art. 34


    De nationale raad van de Orde van architecten bestaat uit:
    a)
    tien gewone leden en tien plaatsvervangende leden, die zitting hebben bij verhindering van de gewone leden, door de raden van de Orde onder hun leden gekozen voor een termijn van 3[zes jaar]3, naar rata van een gewoon en een plaatsvervangend lid per raad;
    b)
    2[twee leden, voor een termijn van 3[zes jaar]3 door de Koning benoemd onder de gemeentelijke of provinciale architecten-ambtenaars;]2
    c)
    vier leden, architecten, voor een termijn van 3[zes jaar]3 door de Koning benoemd en op de volgende wijze gekozen:
    één onder de leden van het onderwijzend personeel van de rijksscholen voor bouwkunde;
    één onder de leden van het onderwijzend personeel van de gesubsidieerde officiële scholen voor bouwkunde;
    en twee onder de leden van het onderwijzend personeel van de gesubsidieerde vrije scholen voor bouwkunde;
    d)
    twee leden, door de Koning 3[voor een termijn van zes jaar]3 benoemd onder de ingenieurs-architecten en de burgerlijk bouwkundig ingenieurs, professors aan een universiteit, de ene voor het officieel onderwijs, de andere voor het vrij onderwijs;
    e)
    twee leden, door de Koning 3[voor een termijn van zes jaar benoemd onder de architecten-ambtenaar die niet bedoeld zijn in b)]3.
    1[De nationale raad van de Orde wordt bijgestaan door een rechtskundig bijzitter 3[en meerdere plaatsvervangende rechtskundige bijzitters]3, die door de Koning worden benoemd. De rechtskundige bijzitter heeft raadgevende stem.
    3[Zij worden gekozen]3 onder de voorzitters en de raadsheren, werkende magistraten of eremagistraten, bij het Hof van Beroep te Brussel, of onder de advocaten van de balie te Brussel, die sedert ten minste tien jaar op een tabel van de Orde van Advocaten zijn ingeschreven. 3[Ze hebben]3 een grondige kennis van de beide landstalen.]1
    3[...]

    Wetshistoriek

    Lid 1:

    a) gewijzigd bij art. 40, § 1, 1• W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.));

    b) vervangen bij art. 11 W. 15 februari 2006 (B.S., 25 april 2006 (eerste uitg.)), met ingang van 5 mei 2006 (art. 16) en gewijzigd bij art. 40, § 1, 1• W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.));

    c) gewijzigd bij art. 40, § 1, 1• W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.));

    d) en e) gewijzigd bij art. 40, § 1, 2• en 3• W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).
    Lid 2 vervangen bij art. 56 W. 10 februari 1998 (B.S., 21 februari 1998), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000)) en gewijzigd bij art. 40, § 2 W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).
    Lid 3 vervangen bij art. 56 W. 10 februari 1998 (B.S., 21 februari 1998), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000)) en gewijzigd bij art. 40, § 3 W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).
    Lid 4 opgeheven bij art. 40, § 4 W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).


    Art. 35


    De nationale raad van de Orde heeft zijn zetel 1[op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]1. Hij omvat twee afdelingen, 2[respectievelijk de Franstalige en Duitstalige raad van de Orde van Architecten en de Vlaamse raad van de Orde van Architecten]2, die afzonderlijk of gezamenlijk kunnen beraadslagen.
    De ene is samengesteld uit de afgevaardigden van de raden van de Orde van de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en van de Franstalige raad van de Orde van de provincie Brabant, uit een door de Koning op grond van de letters b, d en e van artikel 34 benoemd Franstalig lid, en uit twee door de Koning op grond van letter c van artikel 34 benoemde Franstalige leden. 2[De voorzitters van de raden van de Orde bedoeld in huidig lid wonen de afzonderlijke beraadslagingen bij.]2
    De andere afdeling is samengesteld uit de afgevaardigden van de raden van de Orde van de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-vlaanderen, West-vlaanderen en van de Nederlandstalige raad van de Orde van de provincie Brabant, uit een door de Koning op grond van de letters b, d en e van artikel 34 benoemd Nederlandstalig lid, uit twee door de Koning op grond van letter c van artikel 34 benoemde Nederlandstalige leden. 2[De voorzitters van de raden van de Orde bedoeld in huidig lid wonen de afzonderlijke beraadslagingen bij.]2

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 12 W. 15 februari 2006 (B.S., 25 april 2006 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2007 (art. 8 K.B. 25 april 2007 (B.S., 23 mei 2007)) en bij art. 57, 1• tot 3• W. 24 juli 2008 (B.S., 7 augustus 2008).


    Art. 36


    De nationale raad van de Orde kiest onder zijn leden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter, een secretaris en een adjunct-secretaris, die respectievelijk lid moeten zijn van raden van de Orde met verschillend taalstelsel en die gekozen worden onder de leden die bij stemming zijn aangewezen om deel uit te maken van de nationale raad.
    De voorzitter en de secretaris moeten tot een verschillend taalstelsel behoren. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, alsook de secretaris en de adjunct-secretaris zijn van rechtswege voorzitter en secretaris van de afdeling onder welke de raad van de Orde waartoe zij behoren ressorteert. Iedere afdeling kiest onder haar leden een onder-voorzitter.
    De nationale raad en zijn afdelingen kunnen slechts geldig beraadslagen onder het voorzitterschap van de voorzitter of van diens plaatsvervanger en in aanwezigheid van de aangewezen magistraat, en voor zover twee derden van de leden aanwezig zijn.
    1[Zij beraadslagen evenwel geldig, na een tweede bijeenroeping, wat het aantal aanwezige leden ook is.]1

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 139 W. 30 december 1992 (B.S., 9 januari 1993).


    B Bevoegdheden


    Art. 37


    De nationale raad vertegenwoordigt de Orde. Zowel in rechte als om te bedingen of zich te verbinden, treedt de nationale raad voor de Orde op. Hij wordt vertegenwoordigd door zijn voorzitter of zijn plaatsvervangend voorzitter. In andere omstandigheden mag de nationale raad zich door een van zijn leden laten vertegenwoordigen.


    Art. 38


    De nationale raad heeft tot opdracht:
    1•
    de voorschriften van de plichtenleer voor het beroep van architect vast te stellen;
    2•
    een stagereglement op te maken;
    3•
    te waken voor de toepassing van de voorschriften van de plichtenleer en van het stagereglement, die bij koninklijk besluit verplicht worden gesteld;
    4•
    aan de openbare overheden alle voorstellen te doen aangaande wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen in verband met het beroep en advies uit te brengen over alle kwesties inzake de uitoefening ervan;
    5•
    de huishoudelijke reglementen van de raden van de Orde en van hun bureaus vast te stellen;
    6•
    toezicht te houden op de bedrijvigheid van de raden van de Orde en hun uitspraken te verzamelen;
    7•
    1[de onderdanen 2[en de rechtspersonen]2 van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte in te schrijven in het register van de dienstverrichting;]1
    1[8•
    alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor de verwezenlijking van het doel van de Orde;
    9
    2[het publiceren op haar internetsite van de lijst van de architecten ingeschreven op één van de tabellen van de Orde en de lijst van stagiairs, die in regel zijn met hun bijdrage en die gerechtigd zijn het beroep van
    architect uit te oefenen;]2
    10•
    3[nauw samenwerken en informatie uitwisselen met de bevoegde autoriteiten van, naar gelang het geval, de lidstaat van oorsprong of de ontvangende lidstaat volgens de bepalingen van titel V van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties.]3

    Wetshistoriek

    Enig lid:

    7• ingevoegd bij art. 7, 1) K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9) en gewijzigd bij art. 13, 1• W. 15 februari 2006 (B.S., 25 april 2006 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2007 (art. 8 K.B. 25 april 2007 (B.S., 23 mei 2007));

    8• vernummerd bij art. 7, 2) K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9);

    9• ingevoegd bij art. 13, 2• W. 15 februari 2006 (B.S., 25 april 2006 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2007 (art. 8 K.B. 25 april 2007 (B.S., 23 mei 2007));

    10• ingevoegd bij art. 12 Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).


    Art. 38bis


    De nationale raad houdt het register van de dienstverrichting bedoeld in artikel 8, 2[§ 2, tweede lid]2, bij.
    De voorafgaande verklaringen, bedoeld in artikel 8, 2[§ 2, tweede lid]2, worden aan de nationale raad van de Orde toegestuurd.
    De nationale raad is, wat de dienstverrichting betreft, bedoeld in artikel 8, 2[§ 2, tweede lid]2, bevoegd om, overeenkomstig de regelen bepaald in artikel 8, diploma's, certificaten en andere titels, alsook de documenten of inlichtingen bedoeld in de 2[voornoemde Richtlijn 2005/36/EG]2, te ontvangen.
    De nationale raad is, wat de dienstverrichting betreft, bedoeld in artikel 8, derde lid, ook bevoegd om de in dezelfde richtlijn bedoelde documenten en inlichtingen te verstrekken. De afgifte van diploma's, certificaten en andere titels met betrekking tot de vorming, van attesten van goed gedrag of betrouwbaarheid die geen verband houden met de beroepswerkzaamheid en van de verklaringen dat geen faillissement heeft plaatsgehad, behoort echter tot de bevoegdheid van respectievelijk de voor het onderwijs bevoegde overheden, de gemeentebesturen en de griffies van de rechtbanken van koophandel.]1

    Wetshistoriek

    Ingevoegd bij art. 8 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9) en gewijzigd bij art. 13, 1• en 2• Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).


    C Toezicht en beroep


    Art. 39


    De Koning kan, op verzoek van de nationale raad, aan de voorschriften van de plichtenleer en aan het stagereglement bij een in Ministerraad overlegd besluit bindende kracht verlenen. Ingeval geen bindende kracht verleend wordt aan die voorschriften of aan dat reglement, maakt de Minister van Middenstand, binnen drie maanden na het verzoek, de redenen daarvan aan de nationale raad bekend.
    1[De Koning kan de voorschriften van de plichtenleer en het stagereglement waaraan bindende kracht is verleend bij een in Ministerraad overlegd besluit, wijzigen met het doel de omzetting in het interne recht te verzekeren van de richtlijnen met betrekking tot de wederzijdse erkenning van diploma's en beroepsopleidingen, waaronder richtlijn 2005/36/EG van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en de richtlijnen ter bevordering van het vrij verkeer van goederen en diensten, waaronder richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.]1

    Wetshistoriek

    Gewijzigd bij art. 82 Wet 30 december 2009 (BS 31 december 2009 (derde uitg.)).


    Art. 40


    Tegen beslissingen van de nationale raad kunnen de in artikel 11 van de wet van 23 december 1946 bedoelde personen, alsook de Minister van Middenstand, beroep instellen bij de afdeling administratie van de Raad van State, overeenkomstig artikel 9 van dezelfde wet.

    Hoofdstuk III Algemene bepalingen


    Art. 41


    Elke op grond van artikel 17 genomen beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar. Elke op grond van artikel 20 genomen beslissing is slechts uitvoerbaar bij het verstrijken van de termijnen die inzake beroep zijn gesteld, en wanneer binnen die termijnen geen beroep is ingesteld. De voorziening in cassatie is opschortend.


    Art. 42


    § 1
    Alle minder zware tuchtstraffen dan de schorsing worden na het verstrijken van een termijn van vijf jaar sedert het ondergaan van de laatste sanctie uitgewist, op voorwaarde dat het lid van de Orde in die tussentijd geen schorsing noch enigerlei nieuwe sanctie opgelopen heeft.

    § 2
    Ieder lid van de Orde dat een of meer tuchtstraffen heeft opgelopen, welke niet zijn uitgewist bij toepassing van § 1, mag bij de raad van beroep een aanvraag tot eerherstel indienen.
    Deze aanvraag is slechts ontvankelijk op voorwaarde dat:
    1•
    een termijn van vijf jaar is verlopen sedert het ondergaan van de laatste sanctie;
    2•
    betrokkene vroeger niet reeds eerherstel heeft verkregen;
    3•
    betrokkene strafrechtelijk eerherstel heeft verkregen indien hij een tuchtstraf heeft opgelopen voor een feit dat tot een strafrechtelijke veroordeling aanleiding heeft gegeven;
    4•
    een termijn van twee jaar is verstreken sedert de beslissing van de raad van beroep is uitgesproken, ingeval deze een vorige aanvraag heeft afgewezen.

    § 3
    De toepassing van het bepaalde in § 1, alsook de beslissing tot verlening van eerherstel, stelt voor de toekomst alle gevolgen buiten werking van de sancties waarop deze bepaling of deze beslissing toepassing vindt.


    Art. 43


    Het ontslag van de leden van de raden die niet door de Koning zijn benoemd, wordt toegezonden aan de nationale raad.
    De ontslagnemende leden oefenen verder hun functies uit totdat hun ontslag is aanvaard; bij aanvaarding ervan treft de voorzitter van de nationale raad de nodige maatregelen om in de vacature te voorzien.


    Art. 44


    De gekozen gewone of plaatsvervangende leden van een raad van de Orde zijn van rechtswege van hun mandaat vervallen:
    1•
    wanneer zij in laatste aanleg een tuchtstraf hebben opgelopen;
    2•
    wanneer zij veroordeeld zijn tot een criminele straf, bij een arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan.
    Zij kunnen eveneens, bij beslissing van de raad van beroep, van hun mandaat vervallen verklaard worden wanneer zij tot een correctionele straf zijn veroordeeld bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.


    Art. 45


    Elk gekozen lid van een raad van de Orde of elk lid aangewezen om deel uit te maken van een raad van beroep, dat, na behoorlijk te zijn opgeroepen, zonder wettige reden afwezig blijft op twee achtereenvolgende vergaderingen van de raad waarvan hij deel uitmaakt, kan gestraft worden met waarschuwing of afkeuring. Deze straffen worden opgelegd door de raad van beroep, die in eerste en laatste aanleg beslist.
    De zaken worden, wat de gekozen leden van een raad van de Orde betreft, bij de raad van beroep aanhangig gemaakt door de voorzitter van de raad van de Orde of, bij ontstentenis van de voorzitter, door de rechtskundig bijzitter of de plaatsvervangend rechtskundig bijzitter.


    Art. 46


    Behoudens andersluidende bepaling van deze wet, worden de beslissingen van de organen van de Orde bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden genomen. De notulen van de beraadslagingen van de raden van de Orde, van de raden van beroep en van de nationale raad van de Orde worden in een register ingeschreven.
    De notulen van de raden van de Orde en van de nationale raad van de Orde worden ondertekend door de voorzitter en, volgens het geval, door de secretaris of de twee secretarissen. De notulen van de raden van beroep worden ondertekend door al de leden die aan de beslissingen hebben deelgenomen en door de griffier.
    De bij toepassing van de artikelen 17, 18, 20 en 51 van deze wet genomen beslissingen van de raden van de Orde en de beslissingen van de raden van beroep worden met redenen omkleed. De eindbeslissingen van de raden van beroep en van de nationale raad worden bij aangetekende brief aan de Minister van Middenstand medegedeeld.


    Art. 47


    De leden van de verschillende organen van de Orde zijn door het beroepsgeheim gebonden voor alle zaken, waarvan zij in de uitoefening van hun ambt kennis hebben gekregen.


    Art. 48


    De Orde mag noch in eigendom noch anderszins andere onroerende goederen bezitten dan die welke nodig zijn voor het vervullen van haar opdracht.
    Voor schenkingen onder de levenden of bij testament ten bate van de Orde moet door de Koning machtiging worden verleend.


    Art. 49


    1[§ 1
    Tijdens het laatste kwartaal van het jaar legt de nationale raad het bedrag van de bijdrage vast voor het volgende werkjaar, dat hij aan de goedkeuring van de minister bevoegd voor Middenstand onderwerpt.
    Hij maakt eveneens een begrotingsontwerp op dat hij aan de minister die bevoegd is voor Middenstand overmaakt. De minister beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen na ontvangst van het ontwerp om hetzij het ontwerp goed te keuren, hetzij zijn/haar opmerkingen aan de nationale raad over te maken. Bij afwezigheid van beslissing binnen deze termijn, wordt het ontwerp goedgekeurd. De nationale raad beschikt over een termijn van 15 kalenderdagen na ontvangst van de opmerkingen van de minister om de ontwerpbegroting aan te passen. Indien de nationale raad geen gevolg geeft aan de opmerkingen van de minister, kan deze laatste een begroting opleggen.
    De nationale raad kan in de loop van het werkjaar steeds aan de minister een wijziging van de goedgekeurde ontwerpbegroting voorstellen indien de aanrekening van de inkomsten en uitgaven dit vereist.
    Een regeringscommissaris en zijn plaatsvervanger worden, op voordracht van de minister van Middenstand, onder de ambtenaren van zijn departement benoemd door de Koning. De Koning bepaalt het bedrag van de functievergoeding van de regeringscommissaris en zijn plaatsvervanger.
    De regeringscommissaris beschikt over een termijn van vijftien werkdagen om bij de minister beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de Nationale Raad, die strijdig is met de wetten en verordeningen of die niet tot de opdracht behoort van de Nationale Raad zoals bepaald in artikel 38, die de solvabiliteit van de Orde in gevaar kan brengen of die strijdig is met de goedgekeurde begroting van de Orde.
    Deze termijn gaat in op de dag waarop de regeringscommissaris in kennis wordt gesteld van het proces-verbaal van de beslissing.
    Het beroep heeft schorsende kracht.
    Indien de minister de nietigverklaring niet heeft uitgesproken binnen een termijn van vijftien werkdagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing definitief.
    De Nationale Raad wijst voor een termijn van twee jaar, die kan worden vernieuwd, een bedrijfsrevisor aan die belast is met de controle van de financiële toestand en van de jaarrekeningen. Hij stuurt jaarlijks een verslag van de controle naar de Nationale Raad en naar de minister die de middenstand onder zijn bevoegdheid heeft.

    § 2
    De Orde int van haar leden de door de nationale raad vastgestelde bijdragen.

    § 3
    Het niet betalen van de bijdrage kan aanleiding geven tot de toepassing van een tuchtstraf.]1

    Wetshistoriek

    Vervangen bij art. 14 W. 15 februari 2006 (B.S., 25 april 2006 (eerste uitg.)), met ingang van 5 mei 2006 (art. 16).

    Verwerping van beroep

    Het Hof verwerpt het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 49, § 1 (Grondwettelijk Hof nr. 117/2007, 19 september 2007 (B.S., 2 oktober 2007)).


    [Art. 49bis


    De Koning bepaalt het bedrag van de zitpenningen en de vergoedingen, die worden toegekend:

    aan de leden en hun plaatsvervangers van de raden van de Orde en van de nationale raad van de Orde van de Vlaamse Raad en de Franstalige en Duitstalige Raad, en van de raden van beroep, alsmede van de rechtskundige bijzitters en hun plaatsvervangers;

    aan de leden van de Orde op wie de Orde een beroep doet in het kader van een commissie, een werkgroep of iedere andere opdracht in naam van de Orde;
    Zij ontvangen van de Orde geen andere vergoeding of zitpenning. Hun verplaatsingsonkosten voor rekening van de Orde worden terugbetaald, in overeenstemming met de terugbetalingstarieven die van toepassing zijn op de federale ambtenaren.]1

    Wetshistoriek

    Ingevoegd bij art. 14 Wet 21 november 2008 (BS 11 februari 2009 (ed. 2)).


    Hoofdstuk IV Stage


    Art. 50


    Niemand kan zijn inschrijving op een tabel van de Orde aanvragen tenzij hij bij een sedert ten minste tien jaar op de tabel ingeschreven persoon een stage van twee jaar heeft doorgemaakt. De stagiairs worden ingeschreven op een bij de tabel gevoegde lijst.
    De raad van de Orde kan toestaan dat de stage in het buitenland wordt vervuld bij iemand die het beroep van architect uitoefent en dezelfde waarborgen biedt als voor een lid van de Orde in België zijn gesteld.


    Art. 51


    De raden van de Orde kunnen de stage verlengen met één jaar. Zij kunnen de schrapping van de lijst van de stagiairs uitspreken indien de stagiair zijn verplichtingen niet nakomt. In dat geval dienen de voor tuchtstraffen geldende regels inzake rechtspleging en beroep toegepast te worden.


    Art. 52


    3[De raden van de Orde verlenen gehele of gedeeltelijke vrijstelling van stage, volgens de voorwaarden bepaald door de Koning:]3
    a)
    aan 1[onderdanen van de Lid-Staten 2[van de Europese Economische Gemeenschap of een andere Staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte]2]1 die in het buitenland prestaties hebben geleverd, die gelijkwaardig met de stage worden geacht;
    b)
    aan 1[architecten die geen onderdaan zijn van een Lid-Staat 2[van de Europese Economische Gemeenschap of een andere Staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte]2]1, die in het buitenland gedurende meer dan twee jaar het beroep kennelijk hebben uitgeoefend.
    In zulke gevallen dienen de voor tuchtstraffen geldende regels inzake rechtspleging en beroep te worden toegepast.

    Wetshistoriek

    Lid 1:

    inleidende zin vervangen bij art. 13 Wet 22 december 2009 (BS 29 december 2009), met ingang van 28 december 2009 (art. 19);

    a) gewijzigd bij art. 7, § 1 K.B. 12 september 1990 (B.S., 19 oktober 1990) en bij art. 55 W. 10 februari 1998 (B.S., 21 februari 1998), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000));

    b) gewijzigd bij art. 7, § 2 K.B. 12 september 1990 (B.S., 19 oktober 1990) en bij art. 55 W. 10 februari 1998 (B.S., 21 februari 1998), met ingang van 11 oktober 2000 (art. 9 K.B. 17 september 2000 (B.S., 11 oktober 2000)).

    Uitvoeringsbesluiten


    Koninklijk besluit van 23 maart 2011 betreffende de vrijstelling van de stage van architect (BS, 11 april 2011 (ed. 2))


    Hoofdstuk V Strafbepaling


    Art. 53


    1[3[Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een geldboete van 200 euro tot 1000 euro, of slechts één van deze twee straffen, worden gestraft]3 degenen die, zonder ingeschreven te zijn op een tabel van de Orde of op een lijst van stagiairs of in het register waarvan sprake is in artikel 8, of zonder daartoe gemachtigd te zijn of tijdens de duur van de schorsing, plannen opmaken waarvoor wettelijk de medewerking van een architect is vereist.]1
    3[De rechtspersonen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten en het uitvoeren van de herstelmaatregelen die aan hun organen en aangestelde worden opgelegd.]3

    Wetshistoriek

    Vervangen bij art. 8 K.B. 12 september 1990 (B.S., 19 oktober 1990) en gewijzigd bij art. 15, 1• en 2• W. 15 februari 2006 (B.S., 25 april 2006 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2007 (art. 8 K.B. 25 april 2007 (B.S., 23 mei 2007)).

    Voorgeschiedenis

    Gewijzigd bij art. 2 W. 26 juni 2000 (B.S., 29 juli 2000), met ingang van 1 januari 2002 (art. 9).


    Hoofdstuk VI Opheffingsbepaling


    Art. 54


    Artikel 9 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel van het beroep van architect, wordt opgeheven, onder voorbehoud van het bepaalde in hoofdstuk VII van deze wet.

    Hoofdstuk VII Overgangsbepalingen


    Art. 55


    1[De mandaten van de gewone en plaatsvervangende leden van de Provinciale Raden van de Orde die werden verkozen in 2003 nemen een einde op 31 december 2008.
    De Provinciale Raden worden voor de helft vernieuwd met ingang op 1 januari 2009 en vervolgens zoals aangegeven in artikel 11, tweede lid.
    Vanaf de verkiezingen in 2008 nemen de mandaten een aanvang op 1 januari van het daaropvolgende jaar.]1

    Wetshistoriek

    Vervangen bij art. 41 W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).


    Art. 56

    1[De mandaten van de leden van de Nationale Raad bedoeld onder artikel 34, eerste lid, a), wiens mandaat een aanvang nam in 2007, vervallen één jaar later.]1

    Wetshistoriek

    Vervangen bij art. 42 W. 8 juni 2008 (B.S., 16 juni 2008 (tweede uitg.)).


    Art. 57


    De raden van beroep en de nationale raad worden voor het eerst binnen zes maanden na het in werking treden van deze wet samengesteld.


    Art. 58


    § 1
    Totdat de raad van de Orde waartoe zij behoren samengesteld is, blijven de architecten en degenen die gemachtigd zijn als architect op te treden, gehouden zich in het register voorgeschreven bij artikel 9 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, te laten inschrijven, overeenkomstig die wet en de reglementen ter uitvoering ervan.
    De provinciegouverneurs en de Minister van Middenstand zijn, ieder wat hem betreft, bevoegd om uitspraak te doen over de aanvragen tot inschrijving welke dagtekenen van vóór de samenstelling van de raden van de Orde, en over beroepen in verband met die aanvragen, ook wanneer de beslissing eerst na de samenstelling van deze organen kan worden genomen. In dit laatste geval, delen zij hun beslissing mede aan de raad van de Orde onder welke de betrokkene ressorteert, terzelfdertijd als aan deze laatste. De raad van de Orde gedraagt zich naar die beslissing voor het bijhouden van de tabel van de Orde.

    § 2
    De provinciegouverneurs blijven, tot de raden van de Orde samengesteld zijn, bevoegd om van ambtswege of op verzoek van betrokkenen over te gaan tot de schrapping van de architecten en van de personen die gemachtigd werden om als architect op te treden en die niet langer meer voldoen aan de vereisten om in het register te worden behouden. De Minister van Middenstand is bevoegd om uitspraak te doen over de beroepen tegen de beslissingen van de gouverneurs waarbij de schrapping wordt bevolen, ook wanneer zijn beslissing eerst na de samenstelling van de raden van de Orde kan worden genomen. In dit geval geeft de Minister kennis van zijn beslissing aan de raad van de Orde onder welke de betrokkene ressorteert, terzelfdertijd als aan de betrokkene zelf. De raad van de Orde is verplicht zich ernaar te gedragen.


    Art. 59


    Van ambtswege worden op de tabellen van de Orde ingeschreven degenen die in de provinciale registers zijn ingeschreven op het ogenblik waarop die registers aan de raden van de Orde worden bezorgd, alsmede de architecten die ambtenaar of beambte in overheidsdienst zijn en bewijzen dat zij het beroep van architect uitoefenden op het ogenblik dat deze wet van toepassing wordt.


    Art. 60


    Gedurende tien jaren na het van kracht worden van deze wet kan de stage geldig worden vervuld bij een van de in artikel 59 vermelde personen die het bewijs leveren dat zij het beroep van architect sedert ten minste tien jaar uitoefenen.


    Art. 61


    De anciënniteit van de personen die de dag waarop deze wet in werking treedt het beroep van architect kennelijk uitoefenen, wordt bepaald door samenvoeging van:
    1•
    de tijd van hun inschrijving op de tabel van de Orde;
    2•
    voor de periode tussen de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en de datum van inwerkingtreding van deze wet, de tijd gedurende welke zij ingeschreven waren in de bij artikel 9 van de wet van 20 februari 1939 bedoelde provinciale registers of de tijd gedurende welke zij het beroep kennelijk hebben uitgeoefend, zonder dat zij ertoe gehouden waren zich in de vermelde registers te laten inschrijven;
    3•
    voor de periode vóór de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 februari 1939, de tijd gedurende welke zij het beroep kennelijk hebben uitgeoefend. De raden van de Orde doen uitspraak over de betwistingen betreffende de vaststelling van de onder 2• en 3• bedoelde tijd.